poëzieblog

Tekst bij compositie van Mart-Marie Snyman

deur sy vingers

die aarde lê doodstil
haar voorkop is warm
koorsig gloei sy van binne
lugspieëlings sidder oor haar wange

sy het haar oë toegemaak
teen die messe van die siedende son
wat groewe op haar wange getrek het
teen warrelwindstof – sy huil binnetoe
oor vrugbare grond wat in die lug dwarrel
die aarde sweet & ruik soos swael
sy hou haar gebarste lippe oop
haal vlak asem haar keel droog

die woedende wind gryp haar asem
skroei bossies & klippe pikswart
asem verdamp vinniger as asemhaling
verlate     trane loop binnetoe –
’n man bring ’n emmer met skaapwol
stil vul hy haar krake daarmee hy prewel
pars olie uit wol op haar gebarste tong

@arina’s Copywrite

Over Junior Stadsdichterschap

Vierde Junior Stadsdichter Tilburg verrast met bundel

Nederlands stadsdichterschap ontstond in 1993 met Emma Crebolder die destijds stadsdichter van Venlo werd. Acht jaar later slaat dit fenomeen echt aan met de verkiezing van de eerste Dichter des Vaderlands – Gerrit Komrij (2000-2004). Nu is in Tilburg sinds 2016 een junior afdeling van deze erefunctie ontstaan.

De eerste vijf Junior Stadsdichters van Tilburg werden Jim van Bergen, opgevolgd door Roselijn van Gulp (2017), Marije van Pamelen (2018), Wies Weijermars (2019) en Gina Goossen (2021).  Alle Junior Stadsdichters werden met schoolcompetities aangewezen uit de leeftijdsgroep 14 t/m 17 jarigen en bekleedden hun positie voor een tijdperk van een jaar. De gekozen Junior Stadsdichter heeft dezelfde functies als een volwassen Stadsdichter, die er twee jaar tijd voor heeft. De Junior Stadsdichter moet gedichten schrijven over belangrijke gebeurtenissen in die stad en over typische of verrassende Tilburgse onderwerpen. Hij of zij moet bij stadsevenementen optreden en het stadsleven becommentariëren vanuit de visie van jongeren.  

Opvallend is het Junior Stadsdichterschap van de 15-jarige Wies Weijermars twee jaar duurde. Dat kwam vanwege de coronapandemie. Weijermars sloot na een periode van isolement waarin publieke optredens onmogelijk waren haar Junior Stadsdichterschap op een uitzonderlijke wijze af. Bij het overhandiging van haar stokje presenteerde zij haar dichtbundeltje In bloei op 30 juni 2021.

In bloei bevat vijftien gedichten. Wiejermars’ winnende gedicht van twee jaar eerder laat zien dat ze enkele poëtische elementen goed beheerst. Mijn vriend is een doorlopende metafoor voor de stad Tilburg. Herhaling van het woord “vriend” komt ruimschoots voor aangevuld door enkele treffende contrasten bijvoorbeeld:

Mijn vriend heeft een boek vol met verhalen
verhalen over armoede en rijkdom
over oorlog en vrede

In Afgedreven (een van de laatste gedichten in de bundel) gebruikt Weijermars een concreet beeld. Een bootje van krantenpapier dient als metafoor voor haar dichterschap. In de gedichten Weerzin en Bovenbouwers gaat Weijermars een verrassend woordspel aan met “weerzin” en “weer zin” en “inzicht” – “in zicht”.

Meerdere gedichten beelden de nauwe relatie van Nederlanders met water uit. Stroming is een metafoor voor Wiejermans’ eigen ontwikkeling. In De stranddag wordt een dagje aan zee de drager van vrijheid, waar een breed perspectief uit spreekt:

Maar niet iedereen woont zo dicht bij het strand als ik
Niet iedereen weet wat een stranddag is
Niet iedereen tuurt over de zachte zee

Angst voor het water door het stijgende zeeniveau wordt goed beschreven in het volgende klimaatgedicht:

Haast

 We hebben haast
We moeten snel zijn
Geen tijd te verliezen
De klok tikt door
Een klimaattop
Zonder top
Geen top
Geen top meer op de ijsberg
Want het is zo heet
Zo heet onder mijn voeten dat ik moet rennen
Rennen naar een hoog gebied
Een gebied waar het water me niet kan raken
Het water gevuld met tonnen plastic
Plastiek gemaakt door ons
Wij
Mensen
De wortels van dit probleem
De oplossing
Wij zijn de oplossing
Wij jongeren
Wij ouderen
Wij iedereen
Stop met ontkennen
Want de waarheid
De waarheid kan je niet ontkennen
Maar je kan er niet omheen
Het is nog niet te laat
Maar de tijd dringt
De tijd wringt

 Dus sta op
Sta nu op
Een fout verandert pas in falen als we stoppen met proberen

 Het is nog niet te laat

De urgentie in deze woorden is niet mis te verstaan. De jeugd krijgt een enorme taak toegesneden. Weijermars neemt met dit gedicht de handschoen op. In bloei getuigd van ontluikende talent. Veel succes aan Weijermars. 

@arina’s Copywrite
16 augustus 2021

Racisme

Vertaling werd spilpunt van racisme

 Komende uit een racistisch verleden zal ik mezelf een onrecht aandoen om het niét even te hebben over de ophef rond de Nederlandse vertaling van het gedicht The Hill we Climb van Amanda Gorman. Nederlands heeft een omvangrijke vertaalgeschiedenis en staat vaak voorop met vertalingen van internationaal erkende dichtbundels en romans uit een breed spectrum van talen. Nederlands herkent vertalen als een vak apart.

Er was dus niks mis mee dat de 29-jarige dichteres Marieke Lucas Ryneveld de aangewezen persoon kon zijn om de inmiddels 24-jarige Amerikaanse Gorman te vertalen. Gorman’s gedicht kwam in het spotlicht met de inauguratie van Joe Biden, Amerikaanse president sinds januari 2021. Rijneveld kwam op haar beurt een halfjaar eerder in het spotlicht door de International Booker Prize 2020 te winnen. Twee jonge vrouwen met internationaal aanzien opgesteld rond één gedicht. Wat liep er mis? Waarom ging deze vertaling niet door?

We mogen nooit beeldcultuur en sociale media onderschatten. De krantenfoto’s van de schoonheid van een zwarte Amerikaan vergeleken met het melkwitte uiterlijk van een Nederlandse waren opvallend. Voor wie niet leest, houdt deze dichter-vertalerrelatie niet stand. Kijken, kijken, kijken – niét lezen. Dit aangepast spreekwoord brengt je snel bij Instagram en Facebook waar het vooral gaat om visuele impact. Maar sluiten de stijlen van Rijneveld en Gorman aan op elkaar? Ik vergelijk de eerste strofe uit Gormans The Hill we Climb met ruim vier strofes uit het eerste gedicht Als het je overkomt in Rijnevelds debuutbundel Kalfsvlies.

The Hill we Climb

When day comes we ask ourselves,
where can we find light in this never-ending shade?
The loss we carry,
a sea we must wade
We braved the belly of the beast
We’ve learned that quiet isn’t always peace
And the norms and notions
of what just is
isn’t always just-ice
And yet the dawn is ours
before we knew it
Somehow we do it
Somehow we’ve weathered and witnessed
a nation that isn’t broken
but simply unfinished
We the successors of a country and a time
Where a skinny Black girl
descended from slaves and raised by a single mother
can dream of becoming president
only to find herself reciting this one

 Als het je overkomt

Hoe ga je naar bed als je net een schaap hebt overreden, trillend op de
Bedrand je koude handen als rauwe sukadelappen op je ogen, haar hand

tot halve sinaasappel gevormd die zwaar op je knie drukt, heen en weer
beweegt om alles uit te persen wat je is overkomen maar vergeet niet de snelheid

van het praten, zonder pauzes blijft alles vacuüm, heeft verdriet weinig kans
ertussen te komen. Begin alsjeblieft over wijn denk je nog, over hoe kinderen

opgroeien en al die klaprozen roekeloos openspringen maar haar hoofd is al
tijden een autocue, je weet wat je moet zeggen om haar gerust te stellen:

mooi weer spelen heeft meer met regen te maken en het regent alsof we de zon
ooit bedacht hebben.

De inhoud van Gormans gedicht is inclusief (“we”) op het brede publiek gericht en niet moeilijk. Opvallend is de ritme dat zo belangrijk is bij spoken word. Daartegenover is Rijnevelds gedicht exclusief (“je” en “haar”), literair geschreven en veel moeilijker. Deze twee stromingen zijn onvergelijkbaar en sluiten qua inhoud niet aan op elkaar, insgelijks de stijlen. Na korte opspraak heeft Rijneveld haar vertaalopdracht teruggeven aan uitgeverij Meulenhoff.

Wat heeft “ze” als het niet lezend publiek vereist? Geen goede vertaling. Wat speelde was de gedachte deze vertaling aan een zwarte man of vrouw te gunnen. Het is sympathiek, maar wél omgekeerde racisme. En toen viel het stil. Waarom?

@arina’s Copywrite
10 maart 2021

Eén jaar als poëzierecensent

Land van suiker en benzine (2018)
een sterke suikerlobby (2020)
Ik schrijf, ik schrijf wat jij niet ziet (2020)
wonden en brutaliteit (2020)
Guillaume (2020)
Wereldgemiddelde (2020)
Kalfsvlies (2015)
Hogere Natuurkunde (2020)
Twee ton (2020)

Terugblik (februari 2020 – januari 2021)

Wat heb je nodig om dichtbundels te recenseren? In een jaar dat het coronavirus zich botvierde op oud en jong stonden de lezers niet op maar gingen zitten. Met dikke romans, want dat is de trend. Daar heeft iedereen plots de tijd voor. Toch is het verwonderlijk dat niet meer mensen beseffen dat poëziebundels relatief dunne boekjes zijn die evenveel leesplezier kunnen geven als die dikke pillen.  

Wat heb je nodig? Onafhankelijkheid, onbevangenheid en een bereidwilligheid je als eerste lezer over te geven aan de taaleigenaardigheden van de dichter. Onontbeerlijk is ook een literaire intuïtie om tussen goed en slecht te onderscheiden en natuurlijk literaire achtergrondkennis. De bedoeling is een nieuwe bundel toegankelijk te maken voor de lezers. Het is aan de recensent iets herkenbaars te vinden dat gekoppeld kan worden aan het collectieve geheugen van het leespubliek.

Ik startte als recensent in 2017. Destijds werd ik gevraagd een recensie te schrijven voor het Tydskrif vir Letterkunde, ’n tydskrif vir Afrika-letterkunde. Een bijzonder voorrecht. Ik recenseerde de Afrikaanstalige debuut van Hilda Smit die bome reusagtig soos ons was (2016).

Vanwege het wereldwijde en levensbedreigende Covid-19 virus kon ik me het afgelopen jaar lang niet verplaatsen. Daardoor realiseerde ik me één ding. Ik moet mijn literaire schaapjes liever dichterbij huis laten grazen voor de website Brabant Cultureel. Ik startte met het recenseren van Nederlandse dichtbundels in februari 2020. In een sterke suikerlobby vermengde Astrid Lampe haar woorden met fotocollages. Het bundeltje was een Poëzieweekgeschenk. Voorafgaande daaraan zou de combinatie architectuurgeoriënteerde kunst en poëzie zich ook aandoen in het Land van suiker en benzine (2018) van de dubbeltalent Arnoud Rigter. Een vermenging van muziek en poëzie kreeg op een briljante wijze gestalte met de CD wonden en brutaliteit van Tom America. Op deze CD voorziet America veertien gedichten van Delphine Lecompte van geluid.

Twee bundels die inhoudelijk tegenover elkaar staan zijn Guillaume van Kreek Daey Ouwens (ondanks vele witte pagina’s toch leesbaar) en Wereldgemiddelde van Harry van Doveren (tjokvol woorden, maar onleesbaar).

De recensies uit het pandemiejaar 2020 waar ik misschien het meest trots op ben zijn Hogere Natuurkunde van Ellen Deckwitz en de debuutbundel Kalfvlies (2015) in combinatie met de debuutroman De avond is ongemak (2018) van Marieke Lucas Rijneveld. Deckwitz won met een poëtische ode aan haar oma uit Indonesië de Nederlandse E. du Perronprijs. Rijneveld won enkele dagen na mijn recensie op 18 augustus als eerste Nederlander de International Booker Prize. Aanleiding voor deze recensie was dus de Booker Prijs 2020. Nodeloos te schrijven dat ik bijzonder trots was op zowel de recensie als de perfecte timing.  

De twee debuutbundels Ik schrijf, ik schrijf wat jij niet ziet van Karlijn Vlaardingerbroek en Kristel Peijnenborg en Twee Ton van Jolanda Kooijmans zorgden voor waar leesgenot. De eerste bundel was een echte zomerse ervaring die je vrolijk stemde en die ik graag met alle jonge vrouwen zou willen delen. Kooijmans’ debuut is veel ingewikkelder, maar ik durfde te schrijven dat zij “een schitterend nieuw dichttalent” is. Het resultaat van ervaring. Ik gebruik niet snel dat soort woorden.

  @arina’s Copywrite
15 januari 2021

Guillaume

tekenaar: Ineke van Doorn
animatiefilm: Frank van Doorn
still uit Guillaume (2020)

 Over het fenomeen Poëziefilm

Vanwege mijn deelname aan twee Poëziefilm Festivals in Duitsland samen met de Zuid-Afrikaanse animatiefilmer Diek Grobler schrijf ik graag hoe het gekomen is.

Pas in Nederland gearriveerd, begin 2007, maakte ik kennis met de hartroerende animatiefilm Father and Daughter van Michael Dudok de Wit. Het filmpje is bijzonder poëtisch, hoewel er geen poëzietekst bij betrokken is. In Father and Daughter speelde het poëtischevoorstellingvermogen van de tekenaar een centrale rol. Hij werkte niet samen met een dichter. Onlangs verscheen Guillaume van Kreek Daey Ouwens over haar gehandicapte broertje. Voor de dichtbundelpresentatie maakte kunstenares Ineke van Doorn en haar broer Frank van Doorn een gelijknamige film. De animatiefilm borduurt voort op haar zes schetsen in de bundel en op het buitenblad. Guillaume krijgt een nieuw leven op doek. De bundel wordt in zijn geheel naar een volgend niveau opgetild. Tegen een grijze achtergrond van wuivend gras zweeft Guillaume met zijn troetel eend en diens maatjes door de lucht, belandt met hen in een vijver en zinkt gelukzalig naar de bodem. Deze gebeurtenis en ook de eend is niet onderdeel van de dichtbundel. Van Doorn tekent niet alleen maar de inhoud van de dichtbundel. Nee. Ze voegt haar eigen interpretaties eraan toe door haar poëtische blik op Guillaume. De samenwerking tussen tekenaar, filmer en dichter is losjes gebaseerd op een algemeen gevoel dat die bundel uitstraalt.

De samenwerking tussen filmer en dichter is veel hechter waar het gaat om een animatiefilm van een
enkel gedicht. Wederzijds vertrouwen in elkaars vermogens en respect voor elkaars werk is
noodzakelijk om succesvol een interessante film tot stand te brengen. Zo’n samenwerkhouding
schept vrijheid, ook al wordt het soms getekend door lange stiltes. Het geeft de animatiekunstenaar
de ruimte om niet alleen na te tekenen wat er in het gedicht staat, maar ook te interpreteren. Dat
gebeurde met mijn gedicht Piaf als eerste beweging van Diek Groblers Parys suite. De mus in het
kootje aan het einde is niet onderdeel van Piaf, maar visueel heel sterk. Als dichter ervaar ik deze
scene als toegevoegde waarde aan mijn gedicht. Grobler gaat een stap verder en onderbouwt zijn
animaties ook met muziek. Parys suite is uit tweeduizend inschrijvingen geselecteerd voor het
Zebra Poetry Film Festival in Berlijn van 19 tot 22 november 2020.

Voor een andere maatschappelijk geëngageerde poëziefilm moesten we als startpunt onze eigen
ervaringen met zieken en overledenen aan Covid-19 in zowel Nederland als in Zuid-Afrika delen. Ook
met het gedicht Asem in neemt Grobler de inhoud met toegevoegd beeld, beweging en geluid naar
een volgend zintuigelijk niveau dat veel omvattender is dan de leeservaring van de individuele lezer.
De Engelse vertaling van Asem in is onder de titel Inhale ingeschreven voor het allereerst
Poetry Film Festival in Weimar, Thüringen van 22 oktober tot 12 november 2020.

@arina’s Copywrite
19 oktober 2020

sculpting shadows in the land

Strijdom vd Merwe
Neuchâtel, Switserland
(2019)

son

weer seuntjie klein
speel hy op die strand
in die droë sand

maak hy met oumanshande
verweer deur wind & weer
walletjies in rye wyd & syd

sit hy gekamoefleer
tjoepstil soos ’n sandakkedis
& wag dat die skadu’s skuif-skuif
sodat hy nog ’n stukkie tyd
met sy tong mag vang

lig hy beurtelings pote & hande
op van die skroeiende sand
blase gebrand maar uitgelyn

skep hy nuwe skadu’s wat stuif
in die wind duinakkedis leer
hy om lag-lag die son te vang

@arina’s Copywrite

opgeneem in ’n liber amicorum vir Bastiaan Bommeljé
oudredakteur van Hollands Maandblad (Mei 2019)
‘son’ vorm saam met ‘n sewetal ander gedigte die basis van ‘STILSPRAAK, Strijdom van der Merwe en Landkuns’